Dinsdag 17 augustus 1993
Een strak blauwe hemel. Het ontbijtritueel: wie er het eerste klaar is met douchen pakt de huishoudpot
en loopt tegen de steile weg op naar het dorp en koopt daar een lekker vers brood. Het dorp bestaat uit bijna zwart geteerde huizen. De geur van hout en carboleum, vermengt met koeienmest van de beesten die in de stallen onder de huisjes staan, zijn voor eeuwig in de reukzin verankerd. Zou je een flesje Kippel kunnen maken en dat onder m’n neus open trekken dan zou ik het zonder nadenken herkennen. Als je dan terugkomt met een brood en soms met iets extra lekkers, als verrassing, kun je, als je de steile weg weer terug afloopt, de andere al bij de tent in de weer zien met de koffie en de ontbijtspullen. Dit soort momenten blijven in de permanente tentoonstelling in de galerie van je hoofd, altijd op een ereplek hangen. Het is niets groots, maar toch onmeetbaar onvergeetbaar. Na het ontbijt besluiten we om richting de Lötschenlucke te rijden aan het eind van het dal. We laten de auto achter op het parkeerterrein en beginnen onze wandeling naar de Gletsjertor, de plek waar de Lonza uit de gletsjer breekt. Na zo’n 5 kilometer zijn we het wandelpad volledig kwijtgeraakt. Na wat door woestenij gelopen te hebben en langs wat (gelukkig) vriendelijke stieren vinden we het pad weer en komen bij een klein meertje aan met ijzig koud water, de Grundsee. Aan de voet van de gletsjer die zo’n 20 meter dik is, komt de Lonza met geweld naar buiten gebarsten. Aan de voet van de glestsjer hebben we geluncht, af en toe worden we opgeschrikt door gevaarlijk vallende stenen. Tijd om weer terug te lopen, maar dat viel dus helemaal niet mee. Na ongeveer 4 keer dezelfde beek overgestoken te hebben vinden we weer een min of meer begaanbaar pad. Onze kuiten en nek zijn behoorlijk verbrand. Als we terug zijn strijken we aan de Lonza neer, ergens op een rustig plekje en schrijven de ansichtkaarten naar familie en vaderland. We zoeken intussen wat tussen de rotsen van de Lonza en vinden een aantal mooie stenen. Gesterkt door deze vondsten besluiten we om om morgen naar het Binntal te gaan.
![]() |
Woensdag 18 augustus 1993

Vandaag gaan we naar het Binntal, een dal met een rijke mineralengroeve. Het is een zijdal van het Rhonedal en het is flink veel verder als we dachten. Als je bij het Rhonedal eenmaal de bordjes Binntal ziet staan, moet je niet denken dat je er al bent. Via een pasachtige weg ga je een lange slingerende weg op en komt uiteindelijk aan bij een soort gat in de berg. De weg gaat er in dus wij ook maar. De weg is smal, tegenliggers kun je alleen maar op bepaalde verbrede stukken laten passeren. Verlichting is er niet, de tunnel is niet bekleed en overal stroomt water uit het dak boven je. Na een tunnel van zo’n acht kilometer barst je opeens het Binntal binnen. Eenmaal in het plaatsje Binn aangekomen vragen we, in de winkel waar we een steenbeitel kopen, de weg naar de mineralengroeve aan een oud vrouwtje dat helaas haar kunstgebit vanmorgen op ’t nachtkastje heeft laten staan En zo kan het dus gebeuren dat we 5 kilometer lang langs allerlei parkeerplekken wandelen in de verzengende zon, op weg naar de mineraalgroeve. Daar aangekomen zie je in een bocht een soort steenstort waar allemaal mensen met beitels en hamers bezig zijn. Dat er mineralen worden gevonden is wel duidelijk maar waar we naar zoeken, we hebben geen idee. Maar iedereen doet het, dus doen we maar mee. Er is een soort witte steenlaag met daarin een pyrietachtig metaal. Iedereen gooit deze stenen weg maar wij vinden ze prachtig en stoppen onze zaken vol. Tanja is niet meer te houden en valt op elke potentiële vindplaats aan met een enthousiasme dat aanstekelijk is. Helaas hebben we maar 1 beitel en 1 hamer zodat we bij toerbeurt een stukje hakken. Als we eenmaal uitgehakt zijn gaan we de lange weg weer terug naar het dorp. Daar bezoeken we nog wat mineralenwinkeltjes waarbij vooral opvalt dat er veel mineralen uit Peru, Thailand, Brazilië.. en jawel ook een paar uit het Binntall te koop zijn. Terug naar het Lötschental dan maar weer. Onderweg kopen we de benodigdheden voor een barbecue en worden weer pijnlijk herinnerd aan het hoge prijsniveau. Jammer dat we vergeten waren om aanmaakblokje te kopen, maar met wat lampolie kom je ook een heel eind.
Donderdag 19 augustus 1993
Na 1 uur draaikonten, wordt het nou echt mooi weer, of iets minder mooi weer, deden 3 wolkjes in de lucht ons besluiten maar met de auto erop uit te gaan. Vol goede moed op weg naar de Simplonpas, om tot de ontdekking te komen dat er niet alleen in Nederland file’s zijn. Vlak voor Visp staat een enorme file. We staan een half uur uiterst geduldig in de rij en besluiten dan af te slaan richting Saas Fee. Daar glimmen de gletsjers ons tegemoet, maar omdat de drie wolkjes in het Lötschental waren achtergebleven, is het intussen zo warm geworden dat we niet meer willen klimmen, in zo’n geval biedt de luftseilbahn auskumst. Voor een klein kapitaal kunnen we omhoog. Deze baan eindigt ergens op een vieze puinkegel en het blijkt dat je eigenlijk nog verder moest met de metroalpine. De naam had ons natuurlijk al iets moet doen vermoeden, maar onschuldig als we waren stonden we allebei met een mond vol tanden te kijken naar een echte metro op 2500 meter. Voor mij zijn die Zwitsers gek, maar wel slim want de metro zat vol en was zeker niet gratis. Een kapitaal later zaten we in de metro want boven zou er een ijsgrot zijn. Die was er ook, maar alleen nadat weer een klein kapitaal van eigenaar was verwisseld. De grot was prachtig maar onze korte broek en T-shirts waren niet zo warm als we zouden willen en rillend doorlopen we de overigens heel mooie, ijsgrot.
![]() |
![]() |
![]() |
Dwars door de gletsjer is een tunnel geboord en bij de verschillende verschijnselen hangt een uitleg. De grot is prachtig blauw. De temperatuur van 2° wordt ons toch te veel en we vertrekken weer naar buiten. Buiten op de gletsjer was het een komen en gaan van iets te rijke en arrogante zomerskiërs die zich zelf belangrijk genoeg vinden om overal heel onbehoorlijk voor te dringen, daarbij regelmatig mensen met hun lange latten uit balans brengend. Terug beneden kopen we, voor weer een klein kapitaal, nog een patatje (ƒ3,50 per stuk) en zijn we naar huis vertrokken, maar niet voordat we een klein kapitaal aan parkeergeld hadden betaald.
Vrijdag 20 augustus 1993
Vandaag gaan we dan de beruchte Lötschenpas beklimmen. ’s Morgens staan we vroeg op omdat het een lange wandeling wordt. De borden geven aan 7 stunde en dan kun je er gerust een kwart bij optellen. Bij de kabelbaan aangekomen worden daar net 3
Dinsdag 17 augustus 1993
Woensdag 18 augustus 1993
Donderdag 19 augustus 1993


Vrijdag 20 augustus 1993
Geef een reactie