
Om 10 uur vertrekken we vanaf de Adelaarstraat, uitgezwaaid door Vincent die voor de planten en de konijnen zorgt, voor onze eerste echte grote buitenlandse vakantie. Het budget is heel beperkt dus we hebben een kofferbak vol eten bij ons. We gaan via Maastricht – Luik – Luxemburg – Metz – Straatsburg – Mulhouse – Bazel – Bern – Thun – Kandersteg – Lötschental. In Luxemburg halen we nog even een flinke voorraad shag en tanken we. Bij Mulhouse komen we ergens in the middle of nowhere in de file te staan tussen de wijngaarden. Om de 2 à 3 uur stoppen we even om de benen te strekken. Bij Basel gaan we de grens over en jawel hoor we worden eruit gehaald. Waarschijnlijk ziet de auto er te afgetrapt uit. De kofferbak moet open, de aanblik van de zak aardappelen, de blikken boontjes en de vacuüm verpakte hamburgers zijn doorslaggevend voor onze goeie bedoelingen. Alles verloopt verder zeer voorspoedig tot we in Zwitserland besluiten ergens wat te eten. In een wegrestaurant eten we een klein stukje vlees met wat patat voor ƒ50,-! In de buurt van Basel wil Tanja ergens af slaan om een camping te zoeken, op zich geen slecht plan, maar ik zie nergens een afslag die er uitnodigend genoeg uitziet en toen was het opeens donker. Pas in Thun gaan we op zoek naar een camping. Na wat zoeken wordt die ook gevonden maar die blijkt vol. De campingbaas wist er nog een zo’n 20 minuten verder op. Na een half uur zoeken, vragen we een iets te dikke taxichauffeur waar die camping dan wel niet is. “Ach, du mein liebe, sparen sie das Geld und gehe doch wildcampieren, plekjes genoeg. Ofwel volgens hem moesten we onze tent gewoon ergens neer zetten. Het is verbijsterend te zien hoe klein een land wordt in het donker.
![]()
Al zoekende rijden we toch de richting van het Lötschental op en nadat we een paar plekje afgewezen hebben omdat ze te dicht bij de weg lagen of niet vlak genoeg zijn, staan we opeens met de auto voor de autotrein in Kandersteg. Na 10 minuten wachten vertrekt de trein en rijdt door een bijna eindeloze tunnel. En zo komen we aan in Lötschental, 23.00 uur en pikkedonker. Er zitten veel haarspeldbochten in de weg en het rijden wordt een beetje eng. Ergens zien we een bordje camping staan, we nemen de afslag maar we kunnen de camping nergens vinden. We nemen een piepklein weggetje steil omhoog, de goeie ouwe 626 moet er aardig hard voor werken. Op een klein vlak stukje van het pad parkeren we de auto. Het plan was om in het licht van de auto de tent op te zetten, maar er liggen zoveel stenen en de grond is zo ongelijk dat we in de auto besluiten te slapen.



Zes keer wakker geworden, vijf keer weer in slaap gevallen. De volgende ochtend bleek, in het licht van een stralende zon, dat we de tentharingen van de buitenste tent van de camping er bijna hadden uitgereden. We waren dwars over de camping heen een landweggetje naar boven op gegaan. Het uitzicht maakt heel veel goed. Om ons heen liggen met sneeuw bedekte toppen. Dit wakker worden zal ons nog lang bij blijven. We pakken onze spullen en keren de auto. Lang hoeven we dus nu niet te zoeken naar de camping. Om half 8 staan we onze tent op te zetten naast de razende Lonza. Van een receptie hebben ze hier nog niet gehoord, de zaken worden geregeld door een hobbelende, uiterst verlegen inboorling met een heuptas voor z’n centen en een hoedje. Overdag verkennen we het dal met de auto, doen wat boodschappen en kopen een wandelkaart. Badend van het zweet en omvallend van de slaap hebben we ergens langs een beekje op een alpenweide in de schaduw liggen slapen. ’s Nachts veel kou geleden en van zo’n ruisende beek moet je vervelend vaak plassen.
Zondag 15 augustus 1993


Vandaag gaan we met de kabelbaan naar Lauchneralp om vanaf daar te gaan wandelen. Voor Tanja de eerste keer in kabelbaan dus die kwam er ietwat witter uit als ze erin gegaan was, maar dat trok al gauw weer bij . Uitzicht vanaf Lauchneralp is adembenemend. Om je heen staan de alpenweiden in uitbundige bloei en zie je niets als met sneeuw bedekte toppen. Vanaf Lauchneralp lopen we naar Kummenalp, dat gaat redelijk eenvoudig omdat de weg aardig gelijk blijft. Toch merk je aan je kuiten dat klimmen en dalen niet echt veel geoefend is. We maken een lichtvoetige afdaling naar Ferden. Zo lichtvoetig als het begin was, zoveel blaren doen we op voor we beneden zijn. De petjes die we vooraf gekocht hadden bleken geen overbodige luxe te zijn; de alpenzon brandt behoorlijk. ’s Middags zijn we naar het kleine stuwmeer gegaan wat we bij onze wandeling in ’t dal zagen liggen.
Maandag 16 augustus 1993

Zondag 15 augustus 1993
Maandag 16 augustus 1993
Geef een reactie